Zalmzegenvisserij

Rond 1900 is er in de buurt van de Kop van ’t Land op bijna industriële wijze gevist op zalm steur, houting, elft en fint. Niet door vissers in zalmschouwen, maar door een onderneming waarvoor de ‘aandeelhouders’ grote sommen geld hadden geïnvesteerd in stoommachines, bedrijfsgebouwen, schroefstoomboten en (70 man) personeel.

Nieuwe Merwede
Deze vorm van visserij was mogelijk geworden na het gereedkomen van de Nieuwe Merwede, de 500 meter brede ‘rivier’ die in de 19de eeuw is gegraven naar een plan van waterstaatsingenieur Jan Blanken (1755-1838). Toen de grillige Biesboschkreken waren veranderd in een waterloop met evenwijdig lopende, strakke oevers, was het mogelijk om de jacht op de ‘koning der vissen’ met grote netten (zegens), uit te voeren. De zegen zat namelijk aan één uiteinde vast aan een ijzeren ‘leier’ (een soort vangrail) die over een lengte van anderhalve kilometer de oever van de rivier begeleidde.

Het andere uiteinde van het net werd naar het midden van de rivier gevaren, waarna het net – op zijn plaats gehouden door een boot – met de ebstroom mee terug richting Kop van ’t Land dreef.  Op zalm en de andere trekvissen die vanaf zee op weg waren naar hun paaigebieden in Duitsland, werd alleen tijdens eb gevist. Zodra de vloed inzette, hielden de vissen pas op de plaats. Hun ‘instinct’ vertelde hen dat ze alleen tegen de stroom inzwemmend hun paaigronden zouden bereiken, maar ook dat het onzinnig was om weer tegen de vloedstroom in terug naar zee te zwemmen.

zalma+b

Begin visserij
In 1870 begon Adriaan Volker, een baggeraar uit Sliedrecht die fortuin had gemaakt met het graven van de Nieuwe Waterweg van Rotterdam naar zee, een visserij op de ka van het poldertje De Nieuwe Kat. Hij betaalde de Staat 25.000 gulden als pachtsom, in ruil waarvoor hij een jaar lang in de Nieuwe Merwede mocht vissen. Na een paar slechte jaren loonde dat de moeite, want rond 1880 werden er elk jaar zo’n 46.000 zalmen gevangen, een aantal dat tien jaar later bijna verdubbelde.

Uitbouw
Reden om de zaken grootser aan te pakken. In 1887 liet de nieuwe eigenaar, de firma Ten Houten en De Raadt, aan weerskanten van de rivier een heuvel, met daarop een volkskeet, en een zegenkade aanleggen en verder een boetkeet (waar de netten werden hersteld en getaand), een paardenstal, een machineloods en een kolenhok. In elk van de volksketen was plaats voor zo’n 35 vissers die in ploegendiensten van maandagochtend vroeg tot zaterdagmiddag op het bedrijf verbleven.

zalmcVette jaren
De winstgevendste jaren voor de visserij vielen samen met de Eerste Wereldoorlog. Als neutraal land bleef Nederland voedsel leveren aan Duitsland, dus ook zalm. 1917 Spande de kroon voor het visserijbedrijf aan de Nieuwe Merwede. Het boekte een winst van 70.000 gulden. Maar dat kwam meer door de hoge prijzen die voor zalm werden betaald dan door de hoeveelheden gevangen vis. Eigenlijk ging het daar al een poosje slecht mee. Elk jaar werden er minder gevangen – wat zich achteraf laat verklaren door de bouw van stuwen in tal van beken en zijrivieren van de Rijn in Duitsland, waardoor de vissen hun paaigronden simpelweg niet meer konden bereiken. Ook de vervuiling van het Rijnwater droeg eraan bij. En naar alle waarschijnlijkheid heeft ook overbevissing een rol gespeeld, want niet alleen langs de Nieuwe Merwede, maar ook op de Oude Maas, de Lek, de Nieuwe Maas en de Beneden Merwede werd intensief jacht gemaakt op de trekvissen.

Einde zalmvisserij
Omstreeks 1930 was het gedaan met de grote zalmzegenvisserijen in Nederland. Die langs de Nieuwe Merwede heeft het ’t langst volgehouden, maar in 1932 is ook de maatschap Nieuwe Merwede ermee gestopt. Waar overal elders de gebouwen zijn afgebroken, hebben die langs de Nieuwe Merwede de tand des tijds doorstaan. Althans sommige. Het gebouw aan de zuidzijde van de rivier is aan het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers opgeblazen, maar de volkskeet en de boetkeet ter hoogte van de Ottersluis staan er nog.

Wim van Wijk


 

 

Reacties zijn gesloten.